• 4-seizoenensla

Deze slasoort is de gekleurde (rode) variant van de gewone kropsla. Hij is ijler van structuur en gevoeliger voor ziekten en verbranding. Het voordeel is dat bij deze variëteit gerandheid (=droogrand) niet zo zichtbaar is.

Sla hoeft geen introductie, het is zonder twijfel de meest bekende en geteelde bladgroente.

Er is tegenwoordig in onze supermarkten jaarrond een zeer uitgebreid gamma aan verschillende varianten beschikbaar in allerlei kleuren en vormen.
De moderne consument wordt tevens overspoeld met diverse kant-en-klaar verpakkingen van netjes gewassen en gemengde sla-soorten.

Sla is echter makkelijk zelf te kweken in uw eigen moestuin.
Bij Allégrow vindt u alle soorten en teeltinfo.

Al onze slaplantjes worden opgekweekt in een perspot met potgrond van uitstekende kwaliteit. Zo hebben ze sterke en gezonde wortels zodat u zeker bent van een goede start.

Wij garanderen u bovendien dat u het juiste ras plant op het juiste moment, er zijn nl. aparte rassen voor voorjaar, zomer en herfst. Wij gebruiken bovendien uitsluitend rassen uit de professionele tuinbouw. Deze rassen geven de beste opbrengst en zijn resistent tegen witziekte.

Net zoals griep bij mensen verschijnt van witziekte in de natuur regelmatig een nieuwe variant (fysio's genoemd). De moderne slarassen zijn resistent tegen de meeste recente fysio's. Gebruik je oude sla-rassen die je zelf zaait, dan is de kans reëel dat witziekte een groot probleem gaat vormen in uw teelt.

  • Indien u over een serre beschikt die vorstvrij kan worden gehouden kan u al vanaf begin februari aan de slag. Met wat hulp van de zon die aan kracht wint is het dan haalbaar om reeds half april te oogsten.
  • In een koude, onverwarmde serre plant je best pas vanaf half maart. Een beetje nachtvorst kan geen kwaad, vriest het langer dan kan je de plantjes best afdekken met acryldoek. De teeltduur is ongeveer 10 weken.
  • Vanaf half april tot begin september kan gerust buiten worden geplant. Dek de planten eventueel af met een net tegen de vogels. De teeltduur varieert van 8 weken in april tot 6 weken in volle zomer.
  • Wil je in de herfst nog sla oogsten dan kan je best vanaf 5 september terug in een koude serre opplanten. Oogst ongeveer eind oktober. Bij vroege nachtvorst 's nachts afdekken met doek.
  • Na eind september planten heeft niet veel zin, de dagen worden korter en donkerder en de teeltduur te lang.

Sla kan op de meeste grondsoorten goed geteeld worden. De plant stelt echter wel hoge eisen aan de water- en voedselvoorziening. Het beste is een humusrijke grond die uit zichzelf veel vocht levert. Als bemesting worden bij voorkeur organische meststoffen gebruikt, deze hebben een lange werking.

Chemische meststoffen werken soms te snel en verhogen het risico op een te hoge zoutconcentratie in de bodem, wat de kans op droogrand doet toenemen. Let echter wel op met overdreven stikstofbemesting, dit verhoogt niet alleen het nitraatgehalte in de sla, maar maakt ze ook gevoeliger voor ziekten en verbranding.

Plant de perspotten niet te diep, zet ze op de grond met ongeveer ½ van de kluit onder de aarde.  Op deze manier verminder je het contact met de grond en wordt de kans op schimmelinfecties kleiner.

Plantafstand: 25 x 30 cm.

Geef sla zeker in het voorjaar en de zomer regelmatig en voldoende water. Dit doe je best in de vroege voormiddag of de late avond, wanneer de temperatuur lager is. Warmte en vocht zijn immers uitstekende omstandigheden voor ziektes. Let vooral in het najaar op met water geven, de plant gaat immers minder verdampen. Geef je dan te veel water dan krijg je al snel 'glazigheid' (cellen die open barsten door de hoge worteldruk).

Wacht niet te lang met oogsten van buitensla, de kans op ziektes neemt steeds toe. Wees tevreden met een ietwat kleinere krop, die ziekte vrij is.

Sla bestaat voor het grootste gedeelte uit water.
Bewaar hem best in de koelkast, hier blijft hij enkele dagen vers.

Scheur de bladeren van de kropsla (in plaats van snijden) zo sluiten de poriën sneller en beter en blijft de sla langer vers.

  • Droogrand (meestal in het voorjaar) door te weinig vocht of te hoge zoutconcentratie in de bodem.
  • Schot (vooral in de zomer) door te weinig vocht en/of niet snel genoeg geoogst.
  • Glazigheid (meestal in het najaar) door een te hoge worteldruk bij te veel vocht of te weinig verluchten zodat de plant te weinig verdampt.
  • Botritis of voetrot: schimmelpluis aan de onderkant van de krop.
  • Sclerotinia: zwarte bolletjes op de stengel.
  • Witziekte of valse meeldauw, zeker bij oude sla-rassen.
  • Rupsen.
  • Slakken: strooi tijdig op een droge grond slakkenkorrels tussen de planten.